|
|



Opname in 1779 van Willem Jimmink in het Gildeboek van het Boekdrukkers en Kunstverkopersgilde in Amsterdam |
Op 13 februari 1978, op zijn verjaardag, opende Gert-Jan Jimmink, na een verbouwing zijn boekhandel aan de Rooseveltlaan. Op deze plek was sinds de bouw van het "Hilwiscomplex" rond 1931 al een boekhandel gevestigd. De verre voorzaat (?) Willem, die geboren Amsterdammer, die zich in liet schrijven in het "Boek- en Constverkopersgilde" verkocht al in 1779 boeken. Dat zoeken we verder uit. Tja, zomaar twee eeuwen traditie erbij! Hebben we binnenkort ons 230 jarig "bestaan" te vieren. Gelukkig weer een aanleiding voor een feestje! Ik hoor graag de suggesties! Ondertussen gaan we gewoon door met iedereen aan een goed, leuk, lekker, verantwoord, (ont)spannend boek te helpen. Kies maar uit. Tot snel in de zaak! Gert-Jan |
De gilden Binnen het machtsgebied van een stad moest men poorter en lid van een gilde zijn om een bepaald beroep te mogen uitoefenen (Brouwer Ancher 1895: 174). Boekverkopers en beoefenaars van aanverwante beroepen werden aanvankelijk in alle steden bij het Sint Lucasgilde )1 ondergebracht. Later kreeg deze groep in een aantal steden een eigen gilde. In Middelburg en Utrecht gebeurde dit al in de zestiende eeuw (resp. in 1590 en 1599), Haarlem volgde dit voorbeeld in 1616, Leiden in 1651, Amsterdam in 1662, Rotterdam in 1699 en als laatste Den Haag in 1702 (Van Eeghen 1965: 100). In Nijmegen en in Den Bosch behoorden de boekverkopers en -drukkers tot het kramers- of koopliedengilde (Begheyn/Peters 1990: 12 en Van den Oord 1984: 135). In principe moest een boekverkoper, -drukker of -binder, wanneer hij zich als zodanig in een stad wilde vestigen, poorter en gildelid worden. Ook moest hij vier jaar bij een en dezelfde meester in de leer zijn geweest (Van Eeghen 1965: 110). Bij het Boekverkopersgilde in Amsterdam waren de overlieden echter niet erg streng. De keur die zij in 1663 hadden opgesteld, bevatte weinig strenge gilderestricties. Veel van de drukkers die wel als poorters waren ingeschreven, zijn nooit gildelid geworden en van een aantal kleine boekhandelaren was bekend dat zij de vereiste vier leerjaren niet hadden volbracht. Het gilde was echter wel fel gekant tegen de valse concurrentie van omlopers en illegale kramers. (Van Eeghen 1965: 106-110). Wie een bepaald vak wilde gaan uitoefenen in een stad, moest aan voorwaarden voldoen. Men moest in ieder geval poorter zijn.)2 Om dit te kunnen worden, moest de desbetreffende persoon poortergeld betalen. "Reeds in 1465 was het een ieder, die geen poorter was, op 10 pond boete verboden geworden poortersnering te doen [in Amsterdam, S.J.]." (Brouwer Ancher 1895: 173) Op 20 februari 1579 en op 15 januari 1641 werd deze vernieuwd en tevens verrijkt met de toevoeging dat het een ieder die binnen Amsterdam woonachtig, doch geen poorter was, verboden werd eenige winkelnering te doen of open winkel te houden zoolang hij zijn poorterrecht nog niet gekocht had, op boete van zijn magazijn te moeten sluiten en bovendien van 3 gl. 's daags voor iederen dag dat hij, in strijd met deze ordonnantie, den winkel openhield (...) (idem). In 1656 werd de boete zelfs verhoogd naar zes gulden. (Het gehele artikel verder lezen klik hier) Noten 1 Het Sint Lucasgilde was oorspronkelijk opgericht voor (kunst)schilders, borduurwerkers en glazenmakers (Begheyn/Peters 1990: 12). 2 "Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen burger en poorter, dan geldt: de eerste heeft het burgerrecht door geboorte verkregen; de tweede heeft het burgerrecht tijdens het leven verkregen" (Kemper 1989: 37). |
Willem Jimmink Boekdrukker zijn gebooren burgereed van dato 28 junij 1778 |