Exclusieve Pennen
Bijzondere Collecties
Atlassen Reprints Amsterdam Specials Religie - Kunst Fotografie Natuur Cultuur Over Rome Kookboeken Specials Kookboeken op land etc. Reisgidsen per land Openingstijden Anno 1778 ? Concertgebouw Literaire Salon Programma Jimmink Kunst bij Jimmink Preek van de Leek
Activiteiten
Schrijvers Monument
Geschiedenis
In Memoriam 4 Mei Open Joodse Huizen 5 mei Huizen van Verzet FOTO'S 1943 St Wolff Anne Frank
Anne Frank’s
Bookshop
Art & Collectors Editions
Bij Jimmink

PROGRAMMA 2017

XL Editions

Rijks

Masters Of The Golden Age


Paintings

Of The Gallery Of Honour

TASCHEN

Uitgeverij SJA'AR

Judaïca

Ester Scroll Megallah Werkman Chassidische Charlotte Salomons

Naast de BOEKENBON accepteren wij ook de VVV-BON en de IRISCHEQUE

Stolpersteinen ONZE FOLDER 5 mei Vrijheidsmaaltijd 7 mei Boekpresentatie

Oorlog bestond niet,  Fieke van Heeks Heeks

6 mei GRATIS FILM
Home Nederlandstalige boeken Kinderboeken Engelstalige Boeken Ereading Acties Bij Boekhandel Jimmink Help
Rooseveltlaan 62
1078 NL Amsterdam   
020 - 679 12 44
info@jimmink.eu Boekhandel Jimmink Winkelmandje
ZOEK HIER 
EEN BOEK

Vervolg artikel “De Gilden”.

Ten tweede was men verplicht lid te worden van het gilde waarin het vak, dat men wilde gaan uitoefenen, was
opgenomen. Om lid te kunnen worden moest men contributie aan het gilde betalen, poorter zijn en vier jaren bij een
leermeester hebben gediend. En in de derde plaats mocht men geen jood zijn, anders was het slechts bij hoge uitzondering mogelijk lid te worden van een gilde.3

Binnen dit gilde bestond er voor joden de mogelijkheid opgenomen te worden als volwaardige leden. Van Eeghen
(1965: 111) vermeldt dat ene Joseph Athias de eerste was die opgenomen werd; later volgde er nog een aantal. Dit
was zeer ongewoon, want voor joden was het in principe uitgesloten om lid van een gilde te worden. Zo vaardigde het stadsbestuur van Amsterdam op 29 maart 1632 een keur uit die joden verbood lid te worden van een gilde. Hierop werd slechts in enkele gevallen een uitzondering gemaakt (Lucassen/Penninx 1985: 104-5). "En gebeurde het al eens om de een of andere bizondere rede, dat de Regeering van deze ordonnantie afweek, dan werd zulk een vergunning toch altijd onder zeker voorbehoud gegeven." (Brouwer Ancher 1895: 173-4) Kennelijk werd er aan de joodse leden van het Amsterdamse gilde van boekhandelaren zo'n vergunning gegeven, al dan niet onder voorbehoud.

Er waren nogal wat lieden die zonder aan deze voorwaarden te hebben voldaan, hun vak uitoefenden. In een niet
gedateerde brief aan de overlieden van het Boekverkopers-, Boekdrukkers- en Kunstverkopersgilde te Amsterdam
spreekt een gildelid over het algemeen bekende feit "dat er thans byna geen Bruggen of Gragten zyn, daar niet een
Tafel, ja op zommige plaatzen byna geheele Winkels met Boeken gevonden worden; (...)" (Kemper 1989: 44). Een
soortgelijke klacht uit mei 1700 vinden we op pagina 41:

dat zedert weinig tijds verscheide Boekkramers in plaats van uyt te stallen met haare Boek-kramen op de publike
Marckten, en op plaatsen voorheenen daar toe geordineert, haar hebben verstout, om de Nering-rykste plaatsen op
bruggen, en sluysen daar de meeste passagie van menschen valt, over dagh in te neemen, en op groote huyshuur
sittende, die tegen dese menschen onmoogelyk konnen marckten, daar door grootelyks te benadeelen, die ook daar
over aan de supplianten uytermaten klagtig vallen, als zynde dit een saak die regtdraads aanloopt tegen de gunstige
privilegie aan den Gilde goed-daadiglyk verleent, volgens Artik. XXIII. (Amsterdam BVBBB: GA 6211 B52).

Volgens de Handvesten van Amsterdam (dl. 2, p. 770) mocht men buiten de vastgestelde jaarmarkten en wekelijkse
marktdagen geen kramen neerzetten om handelswaar te verkopen.

Deze valse concurrentie, deze beunhazerij, kwam van personen die hetzij door gebrek aan kennis, hetzij door gebrek
aan geld niet in het gilde waren opgenomen. Zij konden hun produkten goedkoper aan de klanten leveren, omdat ze
minder vaste lasten hadden dan de gildebroeders. Zo moesten de gildeleden geld aan het gilde betalen en hadden ze
vaak een pand dat ze huurden om hun vak te kunnen uitoefenen. De beunhazen van het boekenvak, de omlopers,
marskramers, liedjeszangers en handelaren met een kraam hoefden alleen eenmalig een mars of een kraam aan te
schaffen.

In de reeds aangehaalde brief aan het boekverkopersgilde in Amsterdam wordt ook vermeld dat de niet legale
boekkramers niet alleen kleine boekjes van geringe waarde, maar ook kostbare werken tegen lage prijzen verkochten. Dit is natuurlijk voor de reguliere boekhandelaar en -drukker helemaal onverdragelijk; hier kunnen ze onmogelijk tegen concurreren.

De auteur noemt drie punten waardoor de kramers het drukwerk dat ze verhandelen, voor zo'n lage prijs kunnen
verkopen:

1. 'Er zyn dikwils Menschen, die eenige Boeken, het zy uit nood of andere oorzaken, moeten verkoopen; deeze
schaamen zig zomtyds verdagt mogt voorkoomen, daarom gaan zy liever na zo een stal of tafel, en krygen er zomtyds
een vierde der waarde voor; de Koopers dier Boeken, onkundig van derzelver waarde, doen dezelve met een winig
voordeel aan anderen over, gelyk ik verscheide maalen zoortgelyke Gevallen heb ontmoet.

2. Zyn deeze Lieden altyd op de Auctien, koopen, om my zo eens uit te drukken, ryp en groen, voor winig geld, waar
door zy veeler leeskunst, die in deese Stad zeer groot is, voor een geringen prys voldoen. Ook zyn er veele, die
gewoon zyn, altyd aan die stallen of tafels hunne Boeken te koopen, die deze Lieden ook last tot de bezorging van het een en ander geeven.

3. Deeze Lieden woonen doorgaans tot eene geringe prys, en hebben zo veel niet tot hun bestaan nodig, daar onze
Gildebroeders integendeel, een ieder na rato van zyn omslag, zwaare huuren moeten verwoonen, en vry meerder tot
onderhoud nodig hebben; waar door de eerstgenoemde wee­derom gelegenheid hebben, de Boeken met minder
voordeel over te zetten. (Kemper 1989: 46).

De kramers kochten dus goedkoop kostbare boeken van mensen die ze noodgedwongen moesten verkopen en zich
ervoor schaamden naar een reguliere boekhandelaar te gaan. Verder kochten ze op veilingen partijen boeken op, die ze voor weinig geld aan de vele leeslustigen in de stad verkochten. Bij het tweede punt wijst de auteur tevens op de
wisselwerking tussen kramer en klant. Deze laatste kocht uiteraard graag bij de beunhaas, die zijn produkten zoveel
goedkoper leverde dan een gildelid.

Waarschijnlijk gold bij het opkopen van kostbare werken wel een beperking voor omlopende marskramers. Deze
boeken zullen vrij zwaar geweest zijn. Het is dan ook de vraag of deze ook door marskramers werden gekocht. De
partijen boeken zullen dezelfde belemmering hebben gehad: er zullen allerhande boeken in zo'n partij hebben gezeten.
Daartussen moeten zich ook zware werken hebben bevonden. Tevens kent het laatste geval de voorwaarde van
opslagruimte. De koper moest zijn gekochte waar kunnen opslaan.

Als laatste vermeldt de schrijver van de brief de kwestie van de veel lagere huur voor de kramers. Hij licht dit verder
niet toe, maar waarschijnlijk doelt hij op de huur die voor het winkelpand betaald moest worden. Misschien was het
voor de gevestigde boekhandelaren ook min of meer noodzakelijk "op stand" te wonen. Zij behoorden immers tot de
betere klassen van de maatschappij.

De overheidsmaatregelen
Met het ontstaan van de gilden ontstond ook de mogelijkheid tot valse concurrentie. Hiertegen is vanaf het begin vanuit de gilden geprotesteerd. Herhaaldelijk werden rekesten gestuurd aan de desbetreffende stadsregering waarin haar werd verzocht op te treden tegen het toenemende aantal beunhazen. Zo werden door het Boekverkopersgilde in Amsterdam in de jaren 1666-1669, in 1676, in 1677 en 1678 rekesten tegen omlopers en kramers naar de burgemeesters gestuurd (Amsterdam BVBBB: GA, inv. Van Eeghen B52 en 56).

In een niet gedateerd stuk richtten de boekverkopers zich tevens tegen diegene, die de omlopers en venters van
drukwerk voorzagen. Deze zouden ook zwaar beboet moeten worden (Kemper 1989: 38; Amsterdan BVBBB: GA
6211 B56).

Voor de afscheiding van de boekverkopers en -drukkers van het Sint Lucasgilde was er al een aantal keuren
uitgevaardigd, "waer by verboden is met eenige Liedekens, gedruckte nieuw maren, Printen, Boecxkens of te
diegelijcke by de straet om te loopen, oft anders als in winckels voor te staen, (...)." (Amsterdam BVBBB: GA 56 no.3 (cat. 6211e)).
Deze keuren hebben niet het gewenste resultaat gehad, aangezien er op 20 januari 1662 een hernieuwde keur werd
omgeroepen:
Sal oock niemant op eenige Marckten/ Bruggen/ Straten/ de Borse of andere publique plaetsen/ mogen voorstaen/ met eenige Boecken/ Couranten/ Nieuwe-maren/ of Liedekens/ of de selve by de Straten/ of Huysen om te verkopen
omdragen/ alles op de verbeurte van de selve etc. (Handvesten van Amsterdam, dl. 3 (1748): 1219).

Op 9 november 1663 volgde een aanvullende ordonnantie, waarin de geldboete vastgesteld werd:
dat niemand op de Beurs, Bruggen of andere publique plaatzen, nog by de huizen mag verkoopen of omdragen: eenige Boeken, Nieuwstydingen &c. op verbeurte van 6 Gl. voor de eerste, dubbel voor de tweede en voor de derdemaal arbitraire Correctie; (...). (Kemper 1989: 45).

Gildeleden werd ook verzocht op kramers en omlopers te letten:

Tevens dat hij nau regard zal nemen op die gene die op Markten, Bruggen, Straten etc. voorstaan met Boecken,
Couranten, Nieuwe-Maeren etc. en dat hij dezelve op de Gilde-kamers brengen, volgens het 23ste Artijckel der
Ordonnantie van hare Achtbaarheden. (Amsterdam BVBBB: GA, 56 (cat. 6211)).

Op 29 september 1672 wordt nogmaals aangeraden "met geen liedekens of nieuwe maren langs de straat te loopen"
(Handvesten van Amsterdam, dl. 3 (1748): 1220) en in 1695 krijgt de ordonnantie van 9 november 1663 een
aanvulling:

Dat niemand hier ter stede eenige nieuwe tijdingen, liedekens of andere boeken wat naam die ook soude mogen
hebben, aan eenig mensch sal mogen verkopen of geven om die langs de straat om te roepen of op publique plaatsen of by de huisen te gaan veylen. (Kemper 1989: 40).

Deze aanvulling slaat op het eerdergenoemde verzoek van boekverkopers om niet alleen de venters, maar ook hun
leveranciers te beboeten. Ook wordt de boete bij overtreding verhoogd: op verbeurte van d'exemplaren en de boete van twaalf guldens voor de eerste maal, voor de tweede maal eens soo veel en ten derde maal arbitralijk te werden gecorrigeert, sullende de boete geappliceert werden, een derde voor den heer hooft-officier, een derde voor 't gild, en een derde voor de armen. (Kemper 1989: 39-40; Amsterdam BVBBB: GA 6211 B56 no.45).

Behalve het omlopen met drukwerk was ook het nadrukken van boeken de overlieden van het gilde een doorn in het
oog. Het nadrukken was namelijk niet bij de wet verboden. Daarom "koppelde men pogingen om het nadrukken te
weren en om het omlopen te beletten, daar dit veelal met nagedrukte werkjes gebeurde." (Van Eeghen 1965: 115). In 1678 ondertekenden zesennegentig gildeleden het rekest van de overlieden aan de burgemeesters tegen de omlopers die de nadrukken verkochten en tegen de nadrukken zelf. Dit verzoek werd echter afgewezen (Amsterdam BVBBB: GA B52 en B56). Nieuwe pogingen in 1712 en 1715 liepen ook op niets uit (Van Eeghen 1965: 124).


Liedjes en pamfletten
In de zestiende eeuw mocht de liedjeszanger slechts met goedkeuring van een censor4 zijn teksten verkopen. Wanneer hij deze niet bezat, kon hij gevangen gezet of zelfs ter dood veroordeeld worden (Martin 1984: 433). Dit kon gebeuren wanneer de politie de teksten aanstootgevend, opruiend of anderszins ontoelaatbaar vond. Zo werd in 1567 Cornelisz. Pieters in Harlingen gevangen gezet en Heynsoon Adriaenszen een jaar later in Haarlem opgehangen (Fransen 1984). Daarnaast was het ook verboden "met Pinkster en Nieuwjaar langs de straten te zingen en te spelen" (ordonnanties uit 1578 en 1612: Handvesten van Amsterdam, dl. 2 (1748): 1031).

In de zeventiende en achttiende eeuw werden de straffen milder: de liedjes werden in beslag genomen en er volgde een boete of gevangenisstraf voor de zanger (Martin 1984: 433).

De ordonnanties tegen de verkoop van drukwerk door omlopers en kramers golden ook voor de verkoop van de
liedjes van de straatzangers.

Op pamfletten waren ongeveer dezelfde maatregelen van toepassing. De staat greep alleen in bij op de een of andere
manier ontoelaatbare teksten. Meestal ging het hier dan om pamfletten met een religieuze of politieke inhoud die niet
door de regering werd voorgestaan.

Al op 24 januari 1565 werd er een keur uitgevaardigd tegen het schrijven, drukken en verspreiden van pamfletten
waarin personen of zaken werden beledigd (Handvesten van Amsterdam, dl. 1 (1748): 570). In april 1639 werd deze keur uitgebreid:
Tegen de quaet-sprekers van de regering, makers en druckers &c. van ergerlicke boexkens, geschriften &c., oock
vremde Potentaten rakende gestatueerd een pene van 300. gl. &c. (Handvesten van Amsterdam, dl. 1 (1748):
571).

Mei 1684 bracht nog een keur "tegen het strooijen van schandelijke of lasterlijke Schriften" (HvA, dl. 2: 1044), in
februari 1690 werd de straf voor het drukken en verspreiden van pasquillen verzwaard (HvA: 1045), terwijl op 12 juli 1702 nogmaals het verbod tegen het drukken etc. van beledigende werken werd vernieuwd (HvA: 1045).
Waarschijnlijk waren deze keuren niet alleen van toepassing op pamfletten, maar golden ze voor iedere vorm van
"smadelijk" dan wel "lasterlijk" drukwerk.

De sociale en economische positie
Marskramers en liedjeszangers hebben in de secundaire literatuur geen goede naam. Volgens Van Deursen (1991:
167-8) was het beroep van straatventer niet erg gewild, men werd het alleen als er geen andere mogelijkheid was.
Waarschijnlijk kwamen de meeste marskramers en venters van liederen en pamfletten uit de laagste sociale lagen van de bevolking. Ze moeten in ieder geval aan het begin van hun carrière als venters niet veel geld hebben gehad. Immers, ze konden het poortergeld en de contributie voor het gilde niet opbrengen. Ook
kan het zo zijn geweest dat ze op hun vakgebied geen werk konden vinden.

Liedjeszangers en pamfletverspreiders
Er schijnt wel een hiërarchie in armoede onder de verschillende groepen venters te zijn geweest. De liedjeszangers en
pamfletverspreiders moeten de armste groep zijn geweest (Van Selm 1992: 66). Als armsten onder de liedjeszangers
noemt Petzoldt (1974: 1-12) de zogenaamde "Bänkelsänger". Dit zouden vaak zwervers of bedelaars zijn geweest die snel geld nodig hadden. Ze oefenden tijdelijk dit beroep uit, waarna ze een poosje van de inkomsten konden leven. De liedjeszangers moeten een geliefde verschijning zijn geweest. In de stad zongen zij het hele jaar door op pleinen en in café's, op het platteland vooral op kermissen en jaarmarkten, waar ze de rol van informant, opvoeder en entertainer vervulden (Braekman 1990: 6).

De straatzangers waren echter geheel rechteloos, wat het beroep ook niet erg gewild maakte. In tegenstelling tot de
straatmuzikanten, die wel bepaalde rechten hadden, bezaten de straatzangers de kracht van het woord en de
mogelijkheid de teksten te verkopen en aldus te verspreiden. In dat opzicht hadden de straatzangers meer macht en
konden ze invloed uitoefenen op het publiek (Fransen 1984). In 1769 vroeg iemand in The London Magazine zich in dit verband af waarom geen overheid in dit land voor haar eigen welzijn, en geen eerzame magistratuur voor het openbaar welzijn, zich de moeite heeft getroost balladen met de juiste strekking onder het volk in omloop te brengen. Ik weet zeker dat het geld niet beter zou kunnen worden besteed en ik ben er zeker van dat geprotegeerde ambtenaren of marionetten nooit zo dienstig kunnen zijn als een stel welgekozen balladenzangers. (Burke 1990: 79).

Vandaar ook dat de liedjeszanger zijn liederen aanvankelijk slechts met officiële goedkeuring van de censor mocht
verkopen (Martin 1984: 433). Later (zie ook het stukje over De overheidsmaatregelen) mochten deze liedjes officieel niet meer worden verkocht. Gezien de belangrijke functie als ronddrager van nieuws die de zangers, vooral op het platteland, hadden en hun rol als moralist en entertainer, zal er in de praktijk weinig controle zijn geweest op het naleven van deze verboden.
Ons oordeel over de sociaal-economische positie van de rondtrekkende liedjeszangers wordt door deze verboden wel enigszins gekleurd, aangezien de weinige sporen die ze in de archieven hebben achtergelaten, alle van negatieve aard zijn. Het betreft dan in rechterlijke archieven gevonden arrestaties en verhoren van deze zangers (Dekker/Van der Pol 1982: 487).
In deze archiefstukken vinden we ook de meeste informatie over de verspreiders van pamfletten. Het lijkt mij
aannemelijk dat de pamfletten door de drukker zelf, door een door de opdrachtgever of de drukker ingehuurde
persoon of door marskramers werden verspreid.

Marskramers
De marskramers waren volgens Braudel (1989: 63-68) arme handelaren en volgens Burke (1990: 101-2) waren ze
vaak niet te onderscheiden van bedelaars en hadden ze dezelfde slechte reputatie.
Hier lijkt het me nodig enige nuancering aan te brengen en de marskramers te verdelen in twee keer twee groepen, te
weten de marskramers die in drukwerk handelden en de marskramers met andere waren èn de marskramers in de stad en die op het platteland.

Van de eerste groep laat ik de marskramers met andere handelswaar dan boeken buiten beschouwing. De
overgebleven marskramers met drukwerk waren waarschijnlijk niet rijk en hoogstwaarschijnlijk zelfs arm, maar dat ze niet te onderscheiden waren van bedelaars en dezelfde slechte reputatie zouden hebben gehad, wil ik bestrijden. De marskramer moet een meer geziene gast zijn geweest dan de bedelaar. Immers, op het platteland kwam de marskramer net als de liedjeszanger verstrooiing, nieuws en lering brengen in de vorm van almanakken, kranten en vermaakliteratuur. Deze laatste groep bestond uit gedrukte verhalen, volksballaden, spotsermoenen en mysteriespelen "uit het repertoire van artiesten uit de orale traditie" (Burke 1990: 237). De tussen 1500 en 1800 gepubliceerde volksboeken vertonen opmerkelijke overeenkomsten in genre en inhoud. Hierdoor droeg de marskramer ook weinig risico: hij kon zijn boekjes altijd verkopen, ze waren niet aan een mode onderhevig.

Hoe groot waren de verkoopmogelijkheden voor de marskramers? Het drukwerk dat ze verkochten, moet voor een
redelijk aantal boeren en handwerkslieden bereikbaar zijn geweest. De teksten waren niet al te moeilijk geschreven, ze hadden een eenvoudige zinsbouw en de woordenschat was weinig uitgebreid. Naar alle waarschijnlijkheid zullen ze ook voor mensen die traag en moeizaam lazen, geen grote problemen hebben opgeleverd (Burke 1990: 235) en mensen met een grotere taalvaardigheid zullen de teksten voorgelezen hebben aan diegenen die niet of nauwelijks konden lezen.
De produktiekosten werden in de zeventiende en achttiende eeuw meer dan nu door de papierprijs bepaald. De kleine boekjes en kranten die de marskramer verkocht, waren dus goedkoop. Een boekje uit de Franse Bibliothèque Bleue kostte een of twee sous. Ter vergelijking: een brood kostte in die tijd twee sous per pond en het doorsneeloon van een werkman in de stad bedroeg vijftien tot twintig sous per week. Een almanak was omstreeks 1700 duurder en kostte ongeveer drie sous (Burke 1990: 234). Het is dus aan te nemen dat een aantal ambachtslieden en boeren de almanakken, volksboekjes en kranten kon betalen.

Uiteraard moest de marskramer door de lage prijs van zijn boekjes flink wat verkopen voordat hij enige winst had
gemaakt, maar gezien het feit dat de verkoopmogelijkheden niet dusdanig slecht waren, meen ik dat men althans een
aantal marskramers duidelijk van bedelaars kon onderscheiden.

In de stad was de afzetmarkt voor boeken en ander drukwerk groter, maar er was onder de marskramers wel meer
concurrentie, omdat ook hun aantal veel groter was.

Toch heb ik de indruk dat marskramers en kramers die in de stad boeken etc. verkochten, niet per definitie arm
hoefden te zijn. De leesbehoefte schijnt, vooral in Amsterdam, groot geweest te zijn en de (mars)kramers zullen niet
alleen gehandeld hebben met "volkse lieden", maar ook met een draagkrachtiger publiek. Vooral de venters die een
vaste kraam hadden, konden ook dit publiek tevreden stellen, aangezien zij hun waar niet hoefden te dragen en dus ook grotere en kostbaardere werken konden aanbieden.

Misschien was ook het aantal mensen dat kon lezen in de stad relatief groter dan op het platteland, daar er meer
controle op het onderwijs mogelijk was.

Conclusie
De overheidsmaatregelen bleken niet het beoogde resultaat te hebben opgeleverd: in de achttiende eeuw horen we uit
de gildehoek nog zeer veel klachten over de ambulante handel. Maar was het beoogde resultaat ook wel het gewenste resultaat?

De klachten kwamen vooral van het bestuur van boekverkopers- en boekdrukkersgilden en van een aantal van hun
leden. Deze zagen ongetwijfeld de ambulante handel, waartoe de (mars)kramers, liedjeszangers en pamfletverspreiders behoorden, zo snel mogelijk verdwijnen. Ze zagen deze handel als pure broodroof.

Daarnaast waren er een aantal groepen die toch in meer of mindere mate belang hadden bij die illegale handel. De
klanten vormen de meest voor de hand liggende groep: zij konden boeken in de stad bij de kramers voor minder geld
kopen dan bij de gildeboekhandelaren, terwijl ze op het platteland zonder de rondtrekkende venters en zangers
waarschijnlijk niet zo gemakkelijk aan drukwerk zouden kunnen komen.

Een tweede groep belanghebbenden was afkomstig uit de gilden zelf. De reguliere boekhandelaren zullen weleens wat boeken met de colporteurs hebben geruild en een aantal drukkers moet voor handelswaar in de vorm van nagedrukte werkjes hebben gezorgd.

De belangrijkste belanghebbende in deze was m.i. echter de overheid. Zij vaardigde wel ordonnanties uit tegen het
omlopen en illegaal kramen, maar er werd niet serieus ingegrepen. Waarschijnlijk zag het bestuur van een stad als
Amsterdam wel in dat radicaal ingrijpen tot ontevredenheid bij allerlei mensen zou leiden. De bevolking op het
platteland werd door de colporteurs en liedjeszangers van nieuws voorzien, ze werd op een prettige manier vermaakt, en daardoor rustig gehouden, en tevens aangespoord tot lezen. Diverse drukkers zouden een deel van hun inkomen kwijt raken en velen in de ambulante handel zouden geen werk meer hebben. Wat moest de regering met zoveel werklozen? Deze zouden als bedelaars en zwervers de overheid en de burgers meer last bezorgen dan als venters en zangers.

Waarom waren er vooral in de stad zoveel mensen die zich bezig hielden met de ambulante handel? In Amsterdam was het boekverkopersgilde toch vrij soepel. Men kon dispensatie van leerjaren krijgen en in sommige gevallen hoefde men niet eens lid van het gilde te worden. Zelfs joden konden een vergunning krijgen om lid te worden! Kennelijk moet het dan toch lucratief geweest zijn om colporteur of boekkramer te worden.

Voor liedjeszangers en marskramers op het platteland lag het waarschijnlijk anders. Deze handelden toch met
beperktere waar en met een minder gevarieerd en kapitaalkrachtig publiek. Zij verkochten liedjes, almanakken, kranten en volksboekjes die goedkoop waren. Ze moesten dus vrij veel verkopen om enige winst te kunnen maken. Deze ambulante handelaren zullen dan ook armer geweest zijn dan hun collega's in de stad.

Noten
1 Het Sint Lucasgilde was oorspronkelijk opgericht voor (kunst)schilders, borduurwerkers en glazenmakers
(Begheyn/Peters 1990: 12).

2 "Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen burger en poorter, dan geldt: de eerste heeft het burgerrecht door
geboorte verkregen; de tweede heeft het burgerrecht tijdens het leven verkregen" (Kemper 1989: 37).

3 Het Amsterdamse boekverkopersgilde is hierop een uitzondering, zoals we hebben gezien en ook het in 1612
gestichte makelaarsgilde had een aantal joodse leden (Lucassen/Penninx 1985: 104-5).


4 Dit is een door de overheid aangestelde ambtenaar, belast met het onderzoeken van boeken, kranten, tijdschriften,
toneelstukken etc. met het oog op hun toelaatbaarheid voor openbaarmaking of uitvoering.